Wat “zien” ik? 19

door Staf Knop

Vandaag voel ik me voor het eerst een volledig vrijgevochten man. Op mijn meer dan 91-jarige leeftijd werd ik wakker met de gedachte dat niemand op me zou wachten, geen kat of geen hond om me een likje te geven, en geen ontbijt dat klaar stond. De complete leegte. Zo moet Robinson Crusoë zich gevoeld hebben, ook al had hij een hond.
Met wijd geopende ogen lag ik in mijn bed en dacht plots hoe het allemaal begonnen was. Ik was twaalf en bezocht Sint Lucas omdat mijn vader, die kunstglazenier was, mij als zijn opvolger zag. Ik zou het vier jaar volhouden. Op twaalfjarige leeftijd maakte ik ook voor het eerst kennis met het theater en zou het nooit meer vergeten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en na vijf jaar in dienst van koning Leopold III, pakten de Duitsers me op en belandde ik in een arbeiderskamp in Berlijn, dat ik zes weken later voor bekeken hield en me aansloot bij een verzetsgroep van de Britse geheime dienst onder de neus van de nazi’s.
Na de bevrijding studeerde ik journalistiek en dramatische letterkunde om in 1949 voor een krant te werken. Ik maakte er kennis met Jan Walravens en Willem Pelemans, richtte “Het Kamertoneel” op met een aantal jongeren: Jan Cox, Hugo Claus, Karel Appel, Herman Teirlinck, Gaston Burssens, Serge Vandercam, Pierre Aleschinski, Jan De Hartog, Tone Brulin, Simon Vinkenoog, Ton Lutz en afgestudeerden van het Brusselse conservatorium. Met nagenoeg allemaal zou ik bevriend blijven en één na één zou ik ze zien verdwijnen. Vandaag is er niemand meer. De strijd is gestreden. En ik voel me eenzaam. Was dit allemaal de moeite waard?
Een blik op Internet zoog me op naar de realiteit. Het maakte me niet gelukkiger. Men begon Barack Obama het jasje van Richard Nixon aan te meten en in België wees een Ceo erop dat er te weinig werkuren werden gepresteerd en dat er teveel vakantie werd genomen. Het land zou er aan kapot gaan. En gelijk had hij. Wat niet belet dat de volgende dag een verbetering van de economie werd aangekondigd voor volgend jaar, maar dat de werkloosheid nog zou stijgen. Hoe rijm je dat?
Ofschoon ik hier al eerder mijn grote appreciatie heb  geuit voor de TV-serie “Salamander”, die door de VRT werd uitgezonden op Eén, moet ik er nu mijn gelukwensen aan toevoegen want de Britten zullen de serie uitzenden en de Verenigde Staten zouden er een “remake” van maken. Andere landen hebben “Salamander” aangekocht, wat ik alleen maar kan toejuichen. Het is duidelijk een vingerwijzing naar de richting die men best uitgaat. Met “Salamander” heeft men wel degelijk een hoofdvogel afgeschoten, waarvan de pluimen voor het grootste gedeelte toekomen aan Ward Hulsemans, de scenarist. Het wordt dan ook hoog tijd de naam van de auteur in ere te herstellen bij de creatie van elk audiovisueel product. Al te dikwijls wordt hiermee wat stiefmoederlijk omgegaan, ook omdat sommige verhalen bij elkaar werden geknutseld door meerdere pennenlikkers. De gedreven kijker ontgaat dit niet. Het is niet mijn bedoeling hiervan een verwijt te maken, maar wel een vaststelling die een gedegen groei van het eigen auteursveld belet om aan te zwellen.
Mogelijk heeft het met toeval te maken, maar nog deze avond viel ik bij “Sundance TV” op een voorstelling van “Dood van een handelsreiziger”, het wereldbekende stuk van Arthur Miller,met Dustin Hofmann in de hoofdrol. Zonder overdrijven mag ik beweren dit stuk ten minste vijf of zes keer te hebben gezien. De eerste keer moet in 1952 of ’53 geweest zijn, samen met Hugo Claus die nog maar amper het succes met zijn roman “De Metsiers” had verwerkt. We waren kapot van “Dood van een handelsreiziger”, vooral Hugo geraakte er niet over uitgepraat. Millers invloed was zo sterk dat Hugo prompt “De bruid in de morgen” schreef, dat werd gecreëerd in 1956. Sommigen noemen het het beste stuk van Hugo Claus. We waren met velen om zijn voorbeeld te volgen, zodat er in de jaren zestig een nooit eerder geziene opflakkering ontstond van het toneel in Vlaanderen, met een lange lijst van jonge auteurs.
De prille Vlaamse televisie putte maar al te graag en terecht uit het werk van de nieuwe auteurs, zoals van Jozef Van Hoeck, Luc Vilsen, Tone Brulin, Jan Christiaens, Herwig Hensen, Paul Berkenman, Roger Van Ransbeek, Pieter De Prins, Piet Sterckx en ene Staf Knop. Vlaanderen  vierde feest.
Wat is nu de link met de troosteloze toestand van vandaag en hoe is het zo ver kunnen komen?
Het zou vele bladzijden vergen om het uit te leggen, maar alles is eigenlijk begonnen met Mei ’68, de zogenaamde “Nouvelle Vague” wat het audiovisuele betreft en het “Regisseurstheater”. Jonge cineasten wilden hun “Film d’auteur” en theaterregisseurs wilden zo graag de auteursrechten opstrijken. Eigenlijk is er niet veel veranderd.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s